Thuispagina   
  Wat is Stadsleven?   
  Word abonnee   
  Eerder verschenen artikelen   
  Agenda   
  Stadseten   
  Winnen   
  Contact   
  Partner: Plantsoentheater   


  word ook abonnee van stadsleven!  

   

  Storelocator  

Upstairs, downstairs


In de negentiende eeuw is er meer veranderd dan in alle eeuwen daarvoor. Steden als Amsterdam, Rotterdam en Den Haag ontwikkelden zich van kleine stadjes in serieuze steden. In snel tempo volgde de ene moderne uitvinding de andere op. De gegoede burgerij, die in haar grachtenhuizen of ruime woningen aan brede straten en lanen bleef wonen, profiteerde het meest. Maar de ongelijke verhouding tussen mannen en vrouwen en tussen bewoners en bedienden bleef nog lang hetzelfde.

Je zou het niet zeggen als je de vaak ruime, gezellige keukens uit de negentiende eeuw ziet, maar veel rijke mensen waren erg zuinig als het om eten ging. Er was in Nederland geen echte eetcultuur zoals in bijvoorbeeld België of Frankrijk; men at hier omdat het moest. Die mentaliteit (die nóg niet geheel is verdwenen) bleek wel uit de titel van een kookboek als 'Het echte Aaltje: de volmaakte en zuinige keukenmeid' uit 1803. Henriette Stam probeerde daar halverwege de eeuw met háár kookboek 'De fijne keuken of De kok voor lekkerbekken' verandering in te brengen. Zij introduceerde de aardappel als luxueus bijgerecht, puddingen, compôtes, kunstmatig roomijs en - na de uitvinding van de reep door Van Houten - gerechten met chocolade. Haar ‘uitmuntende recepten voor de gewone en de fijne keuken, zoowel voor beginnenden als voor volleerde koks', werd weliswaar door de dames der gegoede burgerij gelezen, maar dan wel alleen om ideeën op te doen. Voor het koken zelf hadden ze nog altijd hun personeel 'beneden'.

Henriette Stams recept voor warme of koude chocoladepudding:
'Roer 12 lood [= 120 gram] boter met room en voeg er bij: 2½ ons suiker, 12 eijerdojers, ½ ons amandels, welke men met eiwit fijn heeft gestooten, 2 ons fijngewreven of anders evenveel poeijerchocolade en eenige vanille met suiker fijn gestampt. Dit alles wordt een kwartier, sterk en aanhoudend geroerd, waarna men er het tot schuim geklutste eiwit luchtig doorroert, en het beslag een uur bij een niet te fel vuur laat bakken. Wil men de pudding koud opdisschen, dan dient men er vanillesaus bij voor. Ook kan men dien zonder saus gebruiken. Maar als hij koud moet worden opgedischt, dan moet hij 2 uren koken'.

Mannelijk personeel was chiquer
De keuken, de proviandkamer en soms een knechtenkamer of bijkeuken bevonden zich in grachtenhuizen altijd in het souterrain, het laagste en koelste deel van het huis. De bewoners van 'boven' verlaagden zich zelden tot de werkruimtes en dus het domein van het personeel. In sommige families mocht alleen mannelijk personeel boven bedienen, dat was chiquer. (Ook vandaag de dag nog zijn aan het hof lakeien uitsluitend mannen!) Vrouwen, zoals de kokkin en de kamenierster, kwamen alleen boven om het menu door te spreken of mevrouw te helpen met aankleden.

Recept voor koude punch, die op warme zomeravonden boven werd geserveerd:
'Op het sap en de geraspte schil van eenen citroen rekent men eene groote kan witten wijn en eene vierde kan rum; wanneer dit met genoegzame suiker gemengd eenige uren gestaan heeft, kan men het gefiltreerd in flesschen doen en voordienen'.

In veel keukens uit die tijd stond in het midden een grote tafel, waaraan niet alleen de voorbereidingen voor de maaltijd werden getroffen, maar ook het koper-, tin- en zilverwerk werd gepoetst. De haard brandde altijd, zodat er warm water voorhanden was. Ingemaakt, geweckt, gedroogd of gerookt voedsel werd bewaard in een donkere provisiekast. Aan het begin van de eeuw was er soms een waterpomp voorhanden, waar allesbehalve zuiver water uitkwam. Tegen 1900 waren er al rijkeluiswoningen aangesloten op het pas aangelegde waterleidingnet.

Grammofoonplaten van was
Toen ik onlangs een aantal eeuwenoude grachtenpanden bezocht kon ik me, lopend door de authentiek ingerichte achttiende- en negentiende eeuwse keukens, bijkeukens, voorzalen, balzalen, slaap- en tuinkamers, goed voorstellen hoe de mensen daar leefden, wat ze droegen en aten en hoe ze sliepen in hun korte ‘twijfelaars’. Rond 1800 was er weinig vertier in dit soort woningen te vinden, maar dat veranderde in de tweede helft van de eeuw al snel door allerlei uitvindingen. Edison presenteerde in 1879 bijvoorbeeld de phonograaf. Tegen 1900 waren er in sommige woningen al primitieve, opwindbare grammofoons te vinden en waren de eerste platen te koop, eerst van was, later van schellak. Wie een balzaal had organiseerde muziekuitvoeringen, literaire avonden, kunstbeschouwingen en gekostumeerde bals.

In één zo’n woning, het grachtenpand aan de Keizersgracht 672 in Amsterdam dat in 1874 was gekocht door jonkheer Hendrik van Loon als huwelijkscadeau voor zijn zoon Willem Hendrik en Thora Nanna Egidius, werd juist tijdens mijn bezoek een lunch gegeven. De gasten van de laatste mevrouw Van Loon, die nog steeds de bovenste twee etages van het pand bewoont, mochten aanzitten in de weliswaar opgeknapte, maar nog geheel in oude stijl ingerichte eetkamer, met in het midden van de tafel authentiek serviesgoed met het familiewapen. Omdat dit pand niet alleen maar een museum is maar gedeeltelijk nog steeds in gebruik is, voelt het ook echt alsof je daadwerkelijk eventjes bijna twee eeuwen bent teruggezet in de tijd.

De uitgaansmogelijkheden groeiden in de loop van de negentiende eeuw snel. In Amsterdam opende in 1887 het Koninklijk Circus Oscar Carré. Ook op andere plekken kwamen steeds meer theaters en cafés. In de nieuwe openbare parken werd gepicknickt en gewandeld. Dankzij de introductie van nieuwe vervoersmiddelen, zoals treinen en paardentrams, werd er bovendien steeds meer gereisd. Mensen die het konden betalen namen geen genoegen meer met eenvoudige logementen en herbergen. In de steden openden eind jaren tachtig van de negentiende eeuw daarom de eerste luxueuze hotels hun deuren. Dierentuinen waren er ook al, maar vaak alleen toegankelijk voor donateurs.

Onfatsoenlijke fietsEen belangrijke ontwikkeling was de komst van kiosken en winkelstraten rond 1880, meestal op plaatsen waar een markt gehouden werd. Voordien bestond het woord winkelen zelfs niet! Er waren wel winkels, zoals die 'in alle soorten wollen, catoenen en zijden manufacturen' van Anton Sinkel aan de Amsterdamse Nieuwendijk, maar ze waren niet bij elkaar gegroepeerd. In deze periode werd ook het rijwiel ontdekt als speeltje voor de rijken. De sportieve heren werden bewonderd, de dames bespot. Fietsen zou leiden tot onvruchtbaarheid en te gespierde benen en was bovendien 'onfatsoenlijk' voor vrouwen. 'De fiets zou ook een geheim middel zijn voor masturbatie.’ meldt de Vereniging voor Vrouwengeschiedenis op haar website. Dit idee sloot aan bij de algehele angst dat vrouwen die eenmaal de vrijheid van het fietsen hadden ervaren, ook in andere opzichten de gewenste (seksuele) normen en waarden wat losser zouden hanteren.

Los van de kritiek van de (mannelijke) fatsoensrakkers: of het nu winkelen of fietsen betrof, dames werden hoe dan ook praktisch in hun vrijheid belemmerd door hun kleding - ingesnoerde middels, strakke korsetten en veel zware rokken over elkaar. Daar was vanuit feministische kring veel kritiek op. Het duurde echter nog tot in de twintigste eeuw voor daarin verandering zou komen. De vrouwenbroek, die halverwege de negentiende eeuw een 'hobbezak' werd genoemd, werd toen mede dankzij het fietsen geaccepteerd. Eerder had de komst van de naaimachine en patronen, waardoor vrouwen zelf 'elegante gekleede toiletten van gekleurde faille (ruwe zijde) en wit neteldoek' konden (laten) maken, niet geleid tot comfortabeler kleding.

Het schoonheidsideaal in de negentiende eeuw:
'Een schone vrouw heeft een rijzige en bevallige leest, ronde hals, volle boezem, satijnen huid, mollige en fijne handen, een gekloofd kinnetje, een kersenmondje met fluweelzachte lippen, witte tanden, wangen met kuiltjes die kunnen blozen, tintelende ogen waarin onschuld ligt, donkere boogvormige wenkbrauwen, een voorhoofd als van ivoor en donkere, van nature golvende lokken'.

In Museum Van Loon komt de negentiende eeuw tot leven
De Vlaamse koopman Jeremias Van Raey liet in 1671 op dubbele kavels twee huizen bouwen aan de Keizersgracht in Amsterdam. Het pand met huisnummer 672 werd in 1884 gekocht door jonkheer Hendrik van Loon voor zijn zoon Willem, die er met zijn kersverse vrouw Thora Egidius ging wonen. De familie Van Loon was heel invloedrijk; zij leverde verschillende burgemeesters en had nauwe banden met het koningshuis. Dat is te zien aan het rijke interieur. De woning is in 1973 - op de bovenste twee etages na - opengesteld op initiatief van Maurits van Loon, de laatste telg van het geslacht, die in 2006 is overleden. Hij vond het belangrijk dat het publiek kennis kon nemen van het traditionele leven in een grachtenpand.

"In de negentiende eeuw hield mevrouw wekelijks een jour. Dan konden mensen aanbellen en belet vragen en mochten ze vijftien minuten in de salon doorbrengen", vertelt conservator/directeur Tonko Grever. Het huis heeft een klassieke indeling. In het souterrain de keuken, voorraadkamers, dagverblijf en bellenkamer. Op de begane (beletage) de representatieve vertrekken. Slaapkamers zijn op de eerste etage te vinden. "De familie had 10 tot 15 personeelsleden. De vrouwen waren meestal intern, de mannen niet, die hadden een gezin. De koetsier woonde boven de stallen."

Veel vertrekken in het grachtenpand zijn door de familie Van Loon gerestaureerd in achttiende, begin negentiende eeuwse stijl. De keuken is enige tijd geleden van een nieuwe fundering voorzien, verlaagd en teruggebracht in de staat van rond 1900. Omdat er ook in het museumgedeelte nog steeds wordt geleefd krijgt een bezoek aan de woning een extra dimensie."

Museum Van Loon, Keizersgracht 672, Amsterdam. Openingstijden: wo t/m ma van 11.00 - 17.00. Entreeprijs: € 6 (volwassenen), € 4 (kinderen). Aparte rondleidingen voor groepen met gids: € 38. Meer informatie, ook over donaties: www.museumvanloon.nl.




Your email Your friend's email
Tell-a-friend